Beter groeien met vetten?

 

 

Vetten, en in het bijzonder de essentiële vetzuren, spelen een belangrijke rol in de neurologische ontwikkeling van kinderen. Er is echter maar weinig speelruimte bij het bepalen van de optimale dosis, en het subtiele evenwicht tussen de zogeheten omegavetzuren is een erg complexe materie.

 

Omega 6- en omega 3-vetzuren zijn onontbeerlijke voedingsstoffen voor de ontwikkeling van een kind. Een recent literatuuronderzoek1 benadrukt dat gegevens uit epidemiologisch onderzoek en interventiestudies aantonen dat supplementen met DHA tijdens de zwangerschap, de borstvoeding en de kinderjaren in het bijzonder bijdragen tot een verbeterde neuromotorische ontwikkeling van het kind. Gecontroleerde klinische proeven met EPA en DHA bleken ook vaak succesvol in de aanpak van psychiatrische stoornissen bij kinderen2 en bij het verbeteren van de motorische en visuele functies in het geval van fenylketonurie.

Een cruciale inname voor de ontwikkeling

In de overvloedige literatuur die aan dit onderwerp is gewijd, is DHA ongetwijfeld het essentiële vetzuur waar het meeste onderzoek naar wordt verricht. Een recent wetenschappelijk artikel herhaalt dat de accretie van DHA in de weefselmembranen van het centrale zenuwstelsel absoluut noodzakelijk is voor een optimale ontwikkeling van de netvlies- en hersenfuncties3. Klinische studies hebben aangetoond dat een lage inname van omega 3 bij pasgeboren en te vroeg geboren baby’s de ontwikkeling van hun gezichtsscherpte kan aantasten. Als men bovendien in de eerste zes levensmaanden zuigelingenvoeding geeft met een aangepast gehalte aan ALA, maar niet aan DHA, zal dat niet tot dezelfde accretie van DHA in de hersenen leiden als bij baby’s die de borst krijgen.

Op dit moment kunnen we nog niet stellen dat dergelijke ‘onaangepaste’ bereidingen een negatieve impact hebben op de neurofysiologische prestaties van het kind. Wel blijkt uit deze meta-analyse dat een omvangrijke verzameling van gegevens een regelmatige inname van DHA via de voeding ondersteunt, minstens in de eerste zes levensmaanden. De gegevens suggereren tevens dat DHA aan zuigelingenvoeding moet worden toegevoegd in concentraties die de moedermelk benaderen (0,2-0,3% van de totale vetten).

Het belang van voldoende DHA-inname zou ook in de perinatale periode concreet meetbaar zijn, via de placentaoverdracht en de moedermelk. Die zijn bepalend voor het niveau van dit essentiële vetzuur bij het kind, en dus ook voor zijn latere ontwikkeling. Hoewel nog meer onderzoek nodig is, bevelen verschillende officiële instanties al een DHA-inname aan van 200 à 300 mg per dag voor zwangere vrouwen en vrouwen die borstvoeding geven.

Moedermelk is wel degelijk veranderd

Het is duidelijk vastgesteld dat het omega 3-niveau van de moeder wordt weerspiegeld in haar moedermelk, wat van borstvoeding de beste keuze maakt. Wel is de samenstelling van die moedermelk in de afgelopen dertig jaar aanzienlijk veranderd: we nemen nu veel meer omega 6 in via de voeding. Dat heeft vooral een impact op het allergierisico en op de celdifferentiatie van de adipocyten8. Maar om de situatie nu terug te draaien is veel tijd nodig, heel veel tijd…

Prematuriteit en primipariteit

Gerandomiseerde klinische proeven4 hebben aangetoond dat de belangrijkste voordelen voor de ontwikkeling consequenter worden waargenomen bij te vroeg geboren kinderen. Dat zou kunnen worden verklaard door het feit dat de accumulatie van DHA in de neuronale weefsels een hoogtepunt bereikt tijdens de hersengroei van de foetus, in het laatste trimester van de zwangerschap.

In een test bij 51 premature kinderen (gemiddeld 34 weken) en hun moeders stelden de onderzoekers vast dat een te hoge concentratie AA (arachidonzuur) in de moedermelk negatief wordt geassocieerd met de cognitieve ontwikkeling van het kind volgens de criteria van de schaal van Brazelton (Brazelton Neonatal Behavioral Assessment Scale of BNBAS)5. Een te hoog gehalte linolzuur (LA, omega 6) in het bloed van de moeders werd dan weer negatief geassocieerd met de ruimtelijke oriëntatie van de baby. Omgekeerd wordt een stijging van de EPA-concentratie in het bloed van de baby positief geassocieerd met het gedrag en de algemene ontwikkeling van het kind.

Een recentere studie onderzocht ook de invloed van de primipariteit6. De studie werd uitgevoerd bij Mexicaanse vrouwen die gemiddeld 20 weken zwanger waren. Het effect van DHA-supplementen (400 mg/dag versus placebo, tot het einde van de zwangerschap) op de hersengroei (gemeten via de hoofdomtrek) werd alleen bij eerstgeborenen vastgesteld en niet bij de volgende bevallingen. Hoe dat komt, is nog niet geweten.

Hoeveel? Een hersenbreker van formaat!

Over het vastleggen van voedingsaanbevelingen voor omega 6 en omega 3 voor jonge kinderen hebben deskundigen nog steeds geen echt internationaal akkoord bereikt. Wel hebben enkele instanties al officiële guidelines uitgevaardigd. Sommige studies scheppen nog verwarring bij zwangere vrouwen en moeders die borstvoeding geven, en leveren soms zelfs tegenstrijdige resultaten op.

Dat geldt bijvoorbeeld voor een gerandomiseerde gecontroleerde proef met omega 6- en omega 3-suppletie, uitgevoerd bij 107 te vroeg geboren meisjes tot de leeftijd van 9 maanden7. De kinderen werden vervolgens regelmatig opgevolgd tot ze 9 à 11 jaar oud waren, en vreemd genoeg bleek de suppletie gekoppeld aan een toename van onderhuidse vetophopingen en een stijging van de bloeddruk.

De complexe stofwisseling van de omega 3- en omega 6-vetzuren en hun vele enzymconcurrenties vormen bovendien een groot probleem bij het bepalen van de optimale dosis en de timing8. We weten met zekerheid dat een voedingspatroon met veel linolzuur (LA) niet alleen de synthese van omega 3-vetzuren blokkeert, maar ook hun opname in de weefsels. We weten verder ook dat voeding of suppletie met te veel alfalinoleenzuur (ALA) de omzetting ervan in DHA (niet in EPA) verhindert, wegens een plateau-effect dat te wijten is aan het snel verzadigbare karakter van het verantwoordelijke enzym. Met andere woorden, niet alleen de inname van LA moet worden beperkt, maar ook de inname van ALA mag zeker niet te sterk stijgen, want dat zou ten koste gaan van DHA, en dat is zonder enige twijfel het belangrijkste vetzuur in de neuronale ontwikkeling.

Er zijn dus nog heel wat onzekerheden, maar die doen niets af aan het fundamentele karakter van DHA en EPA bij kinderen, in het bijzonder in de perinatale fase. Met het lopende onderzoekswerk probeert men de mogelijke differentiële impact te bepalen van omega 3-vetzuren tussen de neurogenese bij embryo’s en die bij volwassenen. Die informatie zal doorslaggevend zijn om de werkelijke en specifieke behoeften voor elk levensstadium te kunnen bepalen.

 

EFSA zegt al gedeeltelijk ‘ja’

Sommige soorten opvolgmelk of ‘tweedeleeftijdsmelk’, bedoeld voor baby’s van 4 tot 12 maanden, mogen voortaan – op voorwaarde dat ze aan alle criteria voldoen – op hun verpakking de volgende gezondheidsclaim vermelden: “De inname van DHA draagt bij tot de normale visuele ontwikkeling van zuigelingen tot de leeftijd van 12 maanden”9. Het moet gaan om levensmiddelen waarbij meer dan 0,3% van het totale gehalte aan vetzuren DHA is.

Deze goedkeuring van de EFSA wijst er tegelijk op hoe belangrijk het is om niet te vroeg over te stappen op koemelk voor zuigelingen en jonge kinderen. Opmerkelijk genoeg gebeurt dat vrij regelmatig bij het starten van de voedingsdiversificatie, zoals duidelijk blijkt uit een recent Frans onderzoek10. Met koemelk worden tot de leeftijd van 36 maanden namelijk niet alle behoeften aan essentiële vetzuren, ijzer, vitamine C en D vervuld.

 

 

 

 

  1. Ryan A.S. et al., Prostaglandins Leukot Essent Fatty Acids, 2010; 82(4-6): 305-14.
  2. Yehuda S. et al., Eur J Clin Nutr, 2011 May 18.
  3. Sergeant S. et al., Journal of Gerontology: Biological Science, 2011, 66A(5): 521-533.
  4. Makrides M. et al., Nestle Nutr Workshop Ser Pediatr Program, 2010; 65:123-33.
  5. Lundqvist-Persson C. et al., Early Hum Dev, 2010; 86(7): 407-12.
  6. Stein A.D. et al., J Nutr, 2011; 141(2): 316-20.
  7. Kennedy K. et al., Arch Dis Child, 2011; 95(8): 588-95.
  8. Gibson R.A. et al., Maternal and child nutrition, 2011; 7(suppl.2): 17-26.
  9. Verordening (EU) Nr. 440/2011, Commissie van 6 mei 2011.
  10. Ghisolfi J., Arch Pediatr, 2010; 17(Suppl.5): S195-8.
NR

Nicolas Rousseau

Diététicien nutritionniste Karott' - Partner, Digital Expert & Nutrition Strategist

Bewaren Favoriet